Hagar Historie

Als er iets binnen WINAK bestaat, dat ook een eigen pagina verdient op onze website, is het ons geliefd clublokaal “den Hagar” wel. Den Hagar heeft een groot historisch verhaal tussen zijn voegen zitten, en die historie zal ik nu voor jullie eens uit de doeken doen.

 

Hier volgt een verslag over het ontstaan van het Fort VI, en hoe den Hagar uiteindelijk bij WINAK terecht is gekomen. Met dank aan Baloe nr. 4 van februari 1995.

Van bos naar Fort VI

Wegens de onafhankelijkheidsverklaring in 1830 diende België als neutrale natie een eigen verdedigingssysteem uit te bouwen. Aangezien ons leger te klein was (en nog is) om alle grenzen te bewaken, gaf de militaire krijgskunde de voorkeur aan de concentratie van de legermacht rond een centrale plaats. Om strategische redenen werd hiervoor Antwerpen boven Brussel gekozen.

 

Het project bestond uit 2 delen:

 

  1. Een grote omwalling van de stad (nu de ring van Antwerpen)

  2. Een gordel van 8 vooruitgeschoven forten op ongeveer 2 km van elkaar

De zone tussen de fortengordel en de omwalling vormde het verschanst kamp, en de breedte ervan varieerde van 3 km (Wommelgem) tot bijna 6 km (Hoboken).

 

Het bouwen van de grote omwalling en de forten duurde 5 jaar en begon op 30 november 1859. Om zo’n werk te kunnen uitvoeren werden o.a. volgende maatregelen genomen:

 

  1. 4 steenbakkerijen werden aangekocht
  2. Hardsteen werd massaal ingevoerd
  3. Bossen werden aangekocht voor het nodige hout
  4. 72 km spoor werd aangelegd, 600 wagons zorgden voor vervoer
  5. Aankoop van 160 werkpaarden

Het ganse project heeft 56.000.000 goudfrank gekost (+/-168.000.000 euro), waarvan 1.600.000 bestemd was voor de aankoop van de gronden. Om dit werk te kunnen uitvoeren had men dagelijks 13.000 man nodig. Omdat er te weinig werklieden waren, werd het leger ingeschakeld. De dagtaak begon om 5h ’s ochtends tot 19h ’s avonds, met 2 uur rustpauze. Een grondwerker verdiende per dag 2,5 fr., en een metser 4,5 fr.. Hiervan diende 1 fr. Voor onderhoudskosten en eten (bier en tabak kostten toen 10 ct.). Na de verplichte 6daagse werkweek had een grondwerker dus ongeveer 9 fr. verdiend. De soldij van een soldaat die de ganse dag moest werken bedroeg 45 ct.

 

De acht forten werden volgens eenzelfde plan gebouwd. Rond het fort ligt een brede, diepe (4,5m) vestinggracht. Elk fort heeft twee ingangen langs stadszijde. Zij werden bereikt langs een vaste brug en een ophaalbrug. De vaste brug leidde via een bomvrije gewelfde gang naar het binnenfort, de “rotonde”. Verder hebben we o.a. ook nog het hoofdfront (aan het konijnekot), het eilandje (de brug tussen hoofdfront en eiland kon worden opgeblazen), het officierengebouw (waar VTV nu zit) massa’s schietschansen, het voorplein (kampeerwei) en een herstelplaats voor de tanks (de sporthal). Elk fort werd gebouwd in trapeziumvorm, zodat elk punt in en rond het fort door de verdedigers kon worden beschoten. Het was in theorie oninneembaar (maar  dat zei men voor WO II ook van de Franse Maginot-Lijn).

 

Het garnizoen bestond uit 888 man. Het fort is echter nooit operationeel geweest, want in 1870 reikte het mortiergeschut reeds te ver (+/- 7 km), en kon de stad al van buiten de fortengordel beschoten worden.

 

In 1965 werd de Simon-Stevin stichting in het leven geroepen met als doel: studie, instandhouding en restauratie van de forten. Simon Stevin (1548-1620) was de bekendste “Belgische” wiskundige die de principes van de vestingbouw vastlegde.

 

Op 30 juni 1973 werd Fort VI ontruimd. In 1974 besloot de regering het fort, na een partijtje touwtrekken met het gemeentebestuur van Wilrijk dat er al 3 voetbalvelden had aangelegd, af te staan aan de UIA voor de inplanting van de universitaire campus.

 

In februari 1974 werd het domein van Fort VI opengesteld voor de gemeenschap. Elke vereniging die wenste te beschikken over een lokaal was toen verplicht een aanvraag in te dienen met vermelding van o.a. het doel, aantal dagen, grootte van het lokaal en dergelijke. Verscheidene verenigingen deden dit, en de meeste konden ook geplaatst worden. Zo waren er ondermeer aanvragen van een jeugd-, speleologie-, alpinisme-, taekwondo-, toneel-, basketbal-, volleybal-, korfbal-, karate-, schutters- en atletiekvereniging, van de politie-verbroederingsclub, personeelskringen, een professor, een vereniging die politiehonden africht en van Apragas, die er graag blusproeven had gedaan. Van de 25 aanvragen werden er 3 geweigerd (de blusproeven, de politiehonden en de karateclub).

Van Fort VI naar HAGAR!

WINAK, dat vroeger steeds moest uitwijken naar het Konijnekot, of naar ValaarHof, was op zoek naar een polyvalente zaal in de omgeving. De uitwijkmogelijkheden waren namelijk te groot en te duur.

 

De aanvraag werd dan aan de UIA gesteld om lokalen 21 (lokaal met bar en zetels),22 (cantuslokaal) en 23 (toiletten/berging) ter beschikking te krijgen. Het fort werd in 1975 betaald door 2 afdelingen: de academische sector en de sociale sector. Het deel van de sociale sector kwam uit het budget dat voorzien was voor de studenten, dus was het dan ook niet meer dan logisch dat de studenten ook aanspraak konden maken op de lokalen. De Simon-Stevin stichting steunde de aanvraag, omdat de lokalen dan regelmatig verwarmd zouden worden, en dus zou bijdragen tot het behoud van het fort.

 

Op 27 september 1977 werd het fort aan een nader onderzoek onderworpen door een aantal architecten. Enkele citaten uit hun verslag: “We zouden willen pleiten voor het integreren van het Fort in het geheel van de universiteit met haar omgeving.”, “In een tijd waar de mensen (misschien wel ook universiteitsprofessoren) vechten om in een oud huis in de stad te kunnen wonen, kan het toch niet vreemd meer klinken een Fort bewoonbaar te willen maken.”, “… muren en gewelven, dus de essentie van het gebouw, staan we hier dus voor een uiterst, haast overdreven solide constructie die ooit bedoeld was om het oorlogsgeweld te trotseren, en dus zeker studenten en universiteitsgeweld zou aankunnen.”.

 

In 1979 heeft men dan ontdekt dat in lokaal 19C (huidige Konijnepijp) van Fort VI radioactief afval opgeslagen lag. De vraag wat dat radioactief afval hier in dit natuurreservaat kwam doen, in hoeverre dit legaal was, in welke mate nieuwsgierige bezoekers radioactieve besmetting zouden kunnen opgelopen hebben en in hoeverre dit radioactieve afval bewaakt werd, zijn hier niet aan de orde. Na navraag bleek het hier om licht radioactief afval van 2 verschillende stoffen te gaan.

 

WINAK heeft heel het Fort op radioactieve straling onderzocht. De meetinstrumenten werden ons door 3 verschillende professoren, zowel van het RUCA (CGB+CMI), als van het UIA (CDE) ter beschikking gesteld. Uit de metingen bleek dat de waarden in het Fort uniform 3 tot 4 keer hoger lagen dan buiten het Fort. Dit is normaal, en wordt veroorzaakt door het beton en de kalk dat gebruikt werd bij de constructie. De gevonden waarden bleven echter ver beneden de gevarengrens. Het onderzoek werd nog eens door Prof. Van Grieken overgedaan, die tot dezelfde conclusies kwam.

 

Op de 120e vergadering van de Commissie Studentenaangelegenheden (17 januari 1990) werd dan besloten (in aanwezigheid van Geert Borstlap) “WINAK principieel tot de vermeldde lokalen toe te laten, na een voorafgaandelijk onderzoek door de Dienst Veiligheid”. WINAK moest een duidelijk schema van de geplande werken en de financiële weerslag hiervan voorleggen.

 

Na het verslag van de Technische Dienst werden er een aantal werken aan de lokalen uitgevoerd:

 

  1. Aftakking van het waternet
  2. Aftakking van het elektriciteitsnet
  3. Aftakking van het gasnet

 

Deze kosten werden betaald door de “Sociale gelden”.

Het verslag van de Technische Commissie van WINAK had het over volgende punten:

 

  1. Afvalverwijdering
  2. Herstellen van de voorgevel
  3. Zandstralen
  4. Brandblusapparaten
  5. Noodverlichting
  6. Binneninrichting:
    1. Sanitair
    2. Meubilair
    3. Verwarming
    4. Verluchting
  7. Financiële acties
  8. Omheiningen
  9. Herstel van het dak
  10. Binnendeuren

 

Het minimum bedrag nodig voor deze punten bedroeg +/- 500.000 fr. (+/- 12.500 €) en het maximum 1.150.000 (+/-28.750 €). Wegens de uitermate hoge bedragen (die door de Technische Dienst als “vrij laag” omschreven werden) werden de werken in fasen uitgevoerd:

 

  1. Lokaal 23
  2. Lokaal 21+22+ingang
  3. Rondgang
  4. Sanitair
  5. Gevelherstelling en dakdichting

 

Rond 1995-1996 waren alle werken voltooid, en kon WINAK zich meer gaan focussen op het volledig uitbaten van den Hagar. Om de paar jaar zijn er nog bouwperiodes geweest, vooral dan in de grote vakantie, waarbij muren werden gemetseld voor den hagar, maar ook vooral aan onderhoud werd gedaan. Zo is er onlangs in de zomer van 2006 nog onderhoud geweest aan de binnenmuren van den Hagar, dmv. alle muren te  zandstralen. In de zomer van 2007 focuste WINAK zich dan eens op de buitenkant van den Hagar, en besloot, in samenwerking met de UA, de modder tussen den Hagar en de parking om te toveren naar een dal-terras/fietsparking voor de vele studenten die steeds afzakken naar een cantus of TD in de konijnepijp.

 

Voor:

Image

 

Na:

Image

Tijdens december 2011 werden de houten deur/ramen verplaatst door een metalen equivalent. Deze zijn steviger en zullen beter isoleren.

De belangrijkste werken zijn dus allemaal uitgevoerd, maar er zijn jaarlijks nog steeds opkuis- of bouwdagen in den Hagar, waar we uw steun zeker nog kunnen gebruiken. Dus indien er nog eens zoiets wordt georganiseerd, kom dan ook eens af en help een historisch monument, waar een heleboel studenten en professoren voor “gevochten” hebben in z’n vorige glorie te herstellen.